Blog 3: Les 2: Experimenteren maar! 3: Les 2: Experimenteren maar!

Beste lezers,

De 2e les alweer! Vandaag staan stap drie en vier van het proces van Onderzoekend en Ontdekkend Leren op het programma: experimenteren opzetten en uitvoeren. Omdat het voor de leerlingen de eerste confrontatie met experimenteren is, hebben wij het wat vergemakkelijkt. Aan de hand van de vragen die de leerlingen de vorige les genoteerd hebben, hebben wij twee onderzoeksvragen voor de proeven bedacht: 1. Hoe komen ze in de diepzee aan voedsel? 2. Wat is het effect van licht/donker op de groei van planten? Hierbij hebben wij zelf ook al twee proeven bedacht. Voor de eerste vraag hebben we een drijven/zinken experimenten, waarbij de drijvende objecten de nog levende vissen voorstellen en de zinkende objecten de dode vissen (dode vissen zakken naar de bodem en die worden in de diepzee opgegeten door al wat daar leeft). Voor de tweede onderzoeksvraag hebben we het tuinkersexperiment bedacht, waarbij er een deel van de potjes in het licht zullen staan en een deel van de potjes in een donkere kast. 

Behalve de inhoudelijke leerdoelen, hebben we ook taaldoelen opgesteld. Kerndoel 4 “De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten, waaronder schema’s, tabellen en digitale bronnen” is daarvoor het uitgangspunt. Daarbij hebben wij ons als doel gesteld, dat de leerlingen een onderzoeksvraag van andere vragen kunnen onderscheiden en kunnen beoordelen op de vier criteria die wij ze geven (open, relevant, te onderzoeken, niet te breed), resultaten kunnen noteren en daaruit een conclusie kunnen trekken. Dit alles natuurlijk op een laag niveau. Deze les gaan we aan de slag met de aspecten van een onderzoeksvraag. Bij het voorleggen van een aantal onderzoeksvragen, bleek al dat de leerlingen de vier aspecten van een goede onderzoeksvraag goed wisten en deze ook konden projecteren op de onderzoeksvraag die voorgelegd werd. Wij hadden de onderzoeksvragen zelf al bedacht (zoals hierboven aangegeven), maar wilde ze in principe uit de leerlingen zelf laten komen. Het bleek dat dit zeker niet te veel gevraagd was van de leerlingen en ze goed in konden schatten wat een goede onderzoeksvraag zou zijn voor de proef. 

Nadat de benodigde theorie was behandeld, was het tijd voor de praktijk! De klas werd in 2 groepen verdeeld: de ene groep doet het tuinkersexperiment, de andere groep gaat aan de slag met het drijven en zinken. Voor beide experimenten was er een handleiding voor de leerlingen, waardoor ze zelf aan de slag konden.
          Experiment 1: De tuinkers. Hierbij kregen ze de handleiding en stonden er watten, een gieter met water, bakjes en de tuinkerszaadjes klaar. Om te zorgen dat iedereen tuinkerszaadjes zou krijgen, zijn die door ons uitgedeeld. De rest hebben de leerlingen zelf gedaan. Erg leuk om te zien, was dat ze zelf met ideeën kwamen: hoe zou het groeien als we een laagje watten doen, de zaadjes en dan nog een laag watten. Hoeveel water zou er bij moeten om ze goed te laten groeien? Zouden we de watten en zaadjes door elkaar kunnen husselen, maar dat de zaadjes nog wel groeien? Buiten de opdracht om, hebben we de leerlingen daarom ook nog wat hiermee laten experimenteren. Ze doen zo extra ervaring op, met experimenteren en zien in dat er met hetzelfde materiaal veel meer dan één onderzoeksvraag bedacht kan worden. 
        Experiment 2: Drijven en Zinken. Ook hiervoor kregen de leerlingen een handleiding. Er stond al een bak water klaar met een handdoek eronder. De materialen waren al wel uitgezocht en de handleiding gaf redelijk precies aan, wat de leerlingen moesten doen. Ook stonden hier vragen op als ‘wat zie je?’ Dit om inzichtelijk te maken voor de leerlingen wat er precies gebeurd en om te voorkomen dat ze klakkeloos materialen in de waterbak gooien, zonder te bedenken wat er zou gebeuren, wat je zou zien of waar het voor stond. 

De experimenten ging goed. De leerlingen waren wel heel druk, maar dit was zeker uit enthousiasme. Ze gaven dan ook het erg leuk te vinden. We hebben met de leerlingen drie tuinkerspotjes bij het raam gezet en drie tuinkerspotjes in de donkere kast gezet. Het resultaat mogen ze over drie dagen gaan bekijken. Bij het drijven en zinken waren de leerlingen in twee groepen bezig. Onder de waterbakken lagen handdoeken, zodat het water dat gemorst werd niet alle kanten op ging. We hadden de leerlingen wel heel duidelijk meegegeven dat het niet de bedoeling is dat het water in het rond vliegt. Omdat ze zo druk bezig waren met het experiment ging het water er wel wat overheen, maar waren ze totaal niet bezig met het water er expres overheen te gooien. 

Tot slot hebben we nog plenair besproken wat we bij beide proeven precies gedaan hebben om te zorgen dat de hele klas hiervan op de hoogte was. Wij hebben er namelijk voor gekozen dat de kinderen maar één proef gedaan hebben. Het is nog leuker om te doen als er meer begeleiders zijn, er hierdoor meer groepjes gevormd kunnen worden waardoor ze kleiner zijn en de groepjes beide proeven kunnen doen. Vanwege de tijd en dat alles nieuw voor ze is, hebben wij ervoor gekozen om de leerlingen toch maar één proef te laten uitvoeren. 

Volgende les gaan we kijken wat er van de tuinkersen geworden is en of de leerlingen van het drijven en zinken nog weten wat er gebeurd is bij die van hun.

Keep you posted!
Julia en Pauline

ULP 7_knikkers 
De knikkers stellen dode vissen voor tijdens de drijven en zinkenproef.

ULP 7_tuinkers 
De tuinkersen, voordat ze in de kast gezet worden of in de vensterbank komen te staan. 

Een reactie plaatsen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: