Smaken en geuren: Terugblik op het ontwerpen, uitvoeren en evalueren van de lessen.

Ontwerpen:

We hadden in het begin verschillende ideeën over het ontwerpen van de lessen. Nadat we er met z’n tweeën over na hebben gedacht en gebrainstormd, zijn we tot een overeenkomstig idee gekomen. We hadden het ontwerpen van de lessen niet helemaal goed gepland waardoor we een beetje in tijdsnood kwamen. We hebben er toen voor gekozen om elk twee lessen te ontwerpen. De lessen waren niet volledig uitgeschreven want de onderzoeksvraag bepaalde het vervolg van de lessen. Na elke les hebben we de les voor die keer daarna voorbereid, met concretere activiteiten en een duidelijke taakverdeling.

Uitvoeren:

Les 1:

We hadden labjassen om eruit te zien als echte wetenschappers, deze hingen nog aan de kapstok toen we met de les begonnen. Als we als wetenschappers binnen waren gekomen met de vla in onze handen was de nieuwsgierigheid van de kinderen misschien wel meer opgewekt. Maar alsnog waren de leerlingen super enthousiast door het proefje met de verschillende kleuren vla. Een leerling had al gevraagd of er misschien kleurstof in de vla zat. Eigenlijk wilden we dit geheim houden maar we hebben gebruik gemaakt van de input van de leerling om een koppeling te maken naar het proeven met een blinddoek. Tijdens dit experiment ging de klas lachen. Wij hebben duidelijk aangegeven bij de meisjes met de blinddoek dat we hun niet aan het uitlachen waren maar dat het door experiment kwam dat we aan het doen waren. Daarna hebben we ervoor gezorgd dat de leerlingen in discussie konden gaan over 3 stellingen, zoals de bedoeling is in de didactiek van OOL. De leerlingen zaten in een kring en moesten aangeven of een stelling waar of niet waar was. Bij de eerste twee stellingen merkten we dat de leerlingen antwoorden van elkaar overnamen. Op dat moment hebben we besloten om de leerlingen voor de derde stelling te vragen om hun ogen dicht te doen tijdens het stemmen. Het was leuk om te stemmen maar omdat de leerlingen al 45 minuten in de kring zaten, waren ongeveer driekwart van de kinderen niet meer geconcentreerd. We hadden beter een andere werkvorm kunnen kiezen, zoals in kleine groepjes overleggen zodat iedereen er iets over kon zeggen. De stellingen zouden vragen op moeten wekken bij de leerlingen waardoor we aan het einde van deze les een onderzoeksvraag zouden hebben. Dit is niet gebeurd want de concentratie van de kinderen en de tijd lieten het niet toe. We hebben ons lesontwerp ter plekke aangepast en aan de leerlingen gevraagd om vast na te denken over een vraag voor de volgende keer.

Les 2:

In les twee gingen we samen met de leerlingen een onderzoeksvraag bedenken. Nadat we de eerste les in de kring hadden gezeten, hadden we bedacht dat een werkvorm in groepjes effectiever zou zijn. Alleen toen er heel veel leerlingen lieten weten dat ze al een onderzoeksvraag hadden bedacht, hebben we snel overlegd en besloten dat we de vragen  klassikaal gingen behandelen. Het is goed dat we ter plekke onze planning konden aanpassen op de situatie, maar we hadden misschien eerst naar de vragen moeten luisteren. We hebben gemerkt dat het voor de middenbouw erg moeilijk is om zonder uitleg een onderzoeksvraag te bedenken.

Les 3:

Tijdens het experiment met zout en suiker waren de leerlingen ook erg enthousiast. We hadden ze een logboek gegeven om in te vullen. Dit logboek diende voor ons als evaluatie of de leerlingen de opdrachten goed hadden uitgevoerd. In dit logboek stond een extra opdracht voor als de groepjes eerder klaar waren. Dit zorgde ervoor dat geen enkel groepje niks te doen had en dat de rust(voor zover dat mogelijk is tijdens een wetenschap en techniek experiment) in de klas bleef. De meeste groepjes hielden zich aan de taakverdeling en lieten alleen degene die het experiment zou doen proeven. Maar sommige groepjes gingen allemaal proeven. Nadat de groepsleerkracht tegen ons had gezegd dat we beter iedereen nog konden laten proeven hebben wij dit tegen de leerlingen gezegd. Het was inderdaad niet eerlijk dat de kinderen die zich aan de taakverdeling hielden niet mochten proeven en de kinderen die eigenlijk de regels overtraden wel konden proeven.

Les 4:

In de laatste les gingen we een muurkrant maken. We hadden een voorbeeld laten zien, waardoor de kinderen een idee kregen hoe hun muurkrant eruit moest komen te zien. Het duurde even voordat de leerlingen op gang waren. Dit paste eigenlijk niet in onze planning omdat wij ook nog wilden verdiepen in het onderwerp smaken. Als verdieping van het experiment over zout en suiker hebben wij de andere twee basissmaken laten proeven door de leerlingen. Smaken moet je eigenlijk ervaren, en dat hebben de leerlingen goed kunnen doen door de witlof en de citroen. Toen de les voorbij was waren de muurkranten niet af. Wij zijn heel blij dat we later in de week nog terug zijn gekomen om de muurkranten en de lessenserie echt af te sluiten. Dit heeft de verwarring bij leerlingen verhelderd.  Wij denken dat als de leerlingen vaker een muurkrant hadden gemaakt, de opdracht veel sneller uitgevoerd kan worden. Ondanks ons tijd te kort hebben wij ervoor gekozen om de les in de uitvoerbare lessenserie niet langer te plannen, maar wel om meer tijd te besteden over hoe de muurkrant gemaakt dient te worden.

Evalueren:

De onderzoeksvraag was voor dit evaluatieonderzoek was: In hoeverre sluiten de eerder bedachte lesdoelen aan op het lesaanbod en hoe kunnen deze eventueel bijgesteld worden?

Het onderzoeksdoel was dat leerlingen leren om waarnemingen te weergeven in hun eigen woorden. Doordat er in het ontwerp van de lessenserie een logboek is geïntegreerd was dit onderzoeksdoel goed te onderzoeken. Over het algemeen hadden 5 van de 7 groepjes hun waarnemingen redelijk weergegeven. Dit doel hoeft dus niet bijgesteld te worden.

Het inhoudelijkedoel was nog niet bepaald, er waren eventuele doelen genoemd, maar het werkelijke doel werd bepaald door de leerlingen zelf. Toen ze de volgende onderzoeksvraag hadden bedacht: “wat gebeurt er als je zout eet en wat gebeurt er als je suiker eet?”, was er niet veel inhoudelijke kennisoverdracht mogelijk. De leerlingen moesten herkennen wat zout en suiker was, ze moesten inzien dat zout de basissmaak zout heeft, en dat suiker de basissmaak zoet heeft. Ook moesten ze observeren wat er gebeurde met de korreltjes zout en suiker op hun tong. De inhoudelijke doelen hadden leerzamer kunnen zijn, als het formuleren van de onderzoeksvraag meer gestructureerd was geweest. De middenbouw heeft nog niet eerder de didactiek volgens van Graft en Kemmers (2007) van Onderzoekend en Ontwerpend leren ervaren, zij vonden het dus ook heel moeilijk om een vraag te bedenken. Als de leerkrachten een proefje hadden bedacht en op basis daarvan de leerlingen naar de juiste onderzoeksvraag hadden gestuurd was de leeropbrengst hoger geweest.

Waarschijnlijk kennen de meeste kinderen het verschil tussen zout en suiker wel. Vier van de zeven groepjes hebben het echter niet ingevuld. Misschien was de vraagstelling in het logboek niet duidelijk voor de leerlingen en dachten ze dat het een normale regel was. Er stond wel duidelijk boven: “zet een rondje om het juiste antwoord”. Als een leerkracht een logboek maakt voor het experiment, dient dit logboek begrijpelijk en logisch te zijn voor de leerling. In het logboek over zout en suiker is er de volgende vraag gesteld: “Wat voor smaak heeft de suiker? Kies uit: zout/suiker/bitter/zuur. Vijf groepjes hebben suiker als antwoord. Het antwoord was eigenlijk zoet, maar dan moet dat wel een van de antwoord alternatieven zijn. In het logboek had natuurlijk moeten staan: zout/zoet/bitter/zuur, maar dit is een fout van de leerkrachten. Het antwoord suiker is goed gerekend terwijl de leerlingen juist moesten inzien dat suiker zoet is. De vraag over wat er met de korreltjes zout en suiker gebeurt als je ze op je tong legt, is door een aantal groepjes beantwoord met “het verdwijnt”. De leerkrachten hadden vervolgens kunnen uitleggen dat zout en suiker oplossen in water, net als suiker in thee.

De evaluatie-instrumenten hebben gemeten of de leerdoelen zijn behaald. Maar deze instrumenten hebben een aantal beperkingen. De evaluatie instrumenten zijn niet getest en dus niet van peer feedback voorzien. Hierdoor is niet duidelijk of een willekeurig ander persoon ze ook zou kunnen hanteren. Ook is het minder betrouwbaar omdat de leerkrachten hun eigen les geëvalueerd hebben, dit zou anders kunnen zijn dan wanneer iemand anders dit zou doen. Verder is het niet mogelijk om een conclusie te trekken of de leerdoelen zijn behaald. Er is gekeken naar verschillende onderdelen per doel. Maar er is van te voren niet bepaald wat de grens was van wel of niet behaald.

Er zijn 7 groepjes geëvalueerd, echter zijn er van een groepje geen resultaten bekend. Tijdens het experiment was de samenwerking van dit groepje erg stroef, de resultaten kunnen dus eigenlijk ook niet meegenomen worden in de evaluatie omdat ze niet valide zijn. De leerkrachten hebben rondgelopen maar zijn er te laat achter gekomen, dat dit groepje niemand had aangesteld om te schrijven. Er moet afgesproken worden welke leerkracht bij welk groepje langsgaat. Het blijkt dat beide leerkrachten heel veel tijd bij een groepje hebben doorgebracht, en heel weinig tijd bij het groepje zonder resultaten.

 

 

 

Een reactie plaatsen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: